archieven.jpg

Daniël de Lange (1841-1918)

Daniël de Lange was een zoon van de Rotterdamse organist Samuel de Lange sr. Zijn eerste muzieklessen kreeg hij van zijn vader. Aan de Rotterdamse muziekschool had hij les van Johannes Verhulst (theorie) en Simon Ganz (cello). Daarna studeerde hij aan het conservatorium van Brussel bij Adrien François Servais (cello), Berthold Damcke (compositie) en J. Lemmens (orgel).

 

In 1858 maakte hij met zijn broer Samuel jr. een tournee die begon in Wenen en verder voerde door het toenmalige Habsburgse rijk. Van 1860 tot 1862 waren beiden als docent werkzaam aan het conservatorium van Lemberg (Lvov). In 1862 keerden ze terug naar Rotterdam, waar Daniël werd benoemd tot opvolger van zijn vroegere celloleraar Ganz. In 1864 vertrok hij naar Parijs, waar hij een nieuwe loopbaan begon als organist, koordirigent en docent. Hier verschenen zijn eerste werken in druk.

 

Bij het uitbreken van de Frans-Duitse oorlog in 1870 bevond hij zich met zijn echtgenote in Nederland. Omdat terugkeer naar Frankrijk toen niet raadzaam was, vestigde hij zich in Amsterdam. In de volgende jaren werd hij als docent, dirigent, bestuurder en criticus een zeer invloedrijke figuur in het Nederlandse muziekleven. Na eerst les te hebben gegeven aan de muziekschool van Amsterdam stichtte hij in 1873 een muziekschool te Zaandam. Met Frans Coenen, Julius Rontgen en anderen stichtte hij in 1884 het Amsterdamse Conservatorium voor Muziek. Aan deze instelling was hij eerst docent theorie en geschiedenis, van 1895 tot 1913 directeur.

 

Als dirigent leidde hij van 1873 tot 1878 het Amstels mannenkoor. In 1875 richtte hij de Leidse afdeling van de Maatschappij tot Bevordering der Toonkunst op, waaraan hij tot 1911 leiding heeft gegeven. Verder dirigeerde hij o.m. de Maatschappij Caecilia (1885-1889), een beroepsorkest waarmee hij o.m. symfonieën van Bruckner in Nederland introduceerde. In 1881 richtte hij een klein professioneel a-cappella-koor op. Dit verwierf zich met de uitvoering van muziek uit de renaissance grote Europese bekendheid.

 

Verder was De Lange in 1878 mede-oprichter (later voorzitter) van de Nederlandsche Koorvereeniging, secretaris van de Maatschappij tot Bevordering der Toonkunst (1877-1908) en bestuurslid van de Vereeniging voor Noord-Nederland's Muziekgeschiedenis (VNM, 1881-1913). Als muziekcriticus was hij van 1875 tot 1913 verbonden aan Het Nieuws van den Dag.

 

In 1910 overleed zijn eerste echtgenote Lide van Oordt. Hij hertrouwde met Anna Maria Gouda. Beiden geraakten in de ban van de theosofie, wat ertoe leidde dat De Lange ondanks zijn gevorderde leeftijd in 1914 zijn functies in Nederland neerlegde en zich vestigde in Point Loma in Californië, waar het hoofdkwartier van de Theosophical Society gevestigd was. Hier heeft hij tot aan zijn dood in 1918 gedoceerd aan het Isis Conservatory of Music.

De Lange’s meest productieve periode als componist was zijn tijd in Parijs (1864-1870). Hier schreef hij o.m. een Requiem voor koor en solostemmen (1868). Een Symfonie in c kl.t. is als op. 4 omstreeks 1875 uitgegeven in Parijs. Verder schreef hij voornamelijk koorwerken en liederen.

Archief Daniël de Lange »